, 27 oktober - 10 december, , curator: Lex ter Braak

Hoewel Jimmie Durham op een indrukwekkende tentoonstellingsreeks kan bogen en zijn naam in Nederland tot de bekenden behoort, heeft hij hier nooit eerder werk laten zien.

Het werk dat hij voor de Vleeshal heeft gemaakt is in alle opzichten kenmerkend voor zijn oeuvre. Uitgangspunt hierbij zijn ter plekke gevonden, opgescharrelde voorwerpen en allerlei vormen van materiaal die nutteloos en van nul en generlei waarde lijken te zijn. Stukken hout, een bijl, een geitenhoorn, touw, kabel, spijkers, stoelen, pvc-pijp. Deze voorwerpen verbindt hij op duidelijk zichtbare wijze met elkaar: schroeven tonen zich, lijmresten dringen zich uit naden te voorschijn, spijkers houden krom verband. Ondanks deze zichtbare hand van de maker kan de kijker er niet aan ontkomen ze van associatieve betekenissen te voorzien, waardoor ze of een leven buiten zichzelf gaan leiden of in hun vreemdheid vragen gaan stellen. Het gaat Jimmie Durham vooral om dat laatste: het stellen van vragen opent een onbegrensde wereld van (intellectuele) mogelijkheden.
De meerduidigheid van de wereld komt voor hem ook tot uitdrukking in de taal. Het feit dat elke taal voor elk ding zijn eigen woorden met eigen connotaties heeft, geeft een waaier van mogelijkheden aan om het ogenschijnlijk vastomlijnde steeds anders te benoemen en te benaderen. In het beeldend werk van Jimmie Durham spelen taalelementen dan ook een grote rol, zij becommentariëren, plaatsen kanttekeningen, geven mogelijkheden. Behalve beeldend kunstenaar is hij ook schrijver en dichter.
Zijn werk lijkt verschillende culturen te combineren: de indiaanse (Cherookse, waar Jimmie Durham een afstammeling van is) en de westerse. Gesneden hout, botten, geverfde huiden, veren tooien, pijl en bogen, pvc-pijp, loden pijpen, kranen, auto-onderdelen. Die vermenging en amalgatie stelt vragen naar politieke, culturele en artistieke achter-gronden zonder daar een eenduidig antwoord tegenover te stellen. Er zijn verbindingen – maar hoe en waar blijft open.

Het werk in de Vleeshal gaat over verbindingen. Op het eerste gezicht lijkt de hal leeg. Maar wie beter kijkt, ziet leidingen en kabels tegen de wanden bevestigd die alle kanten opgaan. Deze draden komen uit talloze knooppunten: noten, schelpen, stenen, botten, kranen. Op verschillende plaatsen zijn voorwerpen aan de kabels geregen. Als in een grote centrale voeren de draden ergens heen en dienen zij een vooropgezet doel – maar waar zij heen leiden en welk doel zij dienen valt niet te zeggen. Niet het werk maar de toeschouwer bevindt zich in het midden (the centre) – de sculptuur van de hal welft zich over hem heen en neemt hem op in het knooppunt van zijn connecties.
In een hoek toont een videorecorder de beelden van Jimmie Durham die op een zonovergoten weide een telefoon installeert. De telefoon rinkelt een paar keer in grote haast, tot een in het beeld vallende steen de hoorn van de haak stoot. Het gerinkel keert terug, maar het beeld is zwart. In het midden van de hal, tegen de kant, op een krukje staat een telefoon die verbonden is en opgenomen is in het systeem. Alles sluit en alles staat met elkaar in verbinding – als al de systemen waar wij in denken en leven maar wat de logica van die systemen is, ontgaat ons al eeuwen.
In de woorden van Jimmie Durham: “Als je één leiding volgt, lijkt het logisch; als je een tweede volgt, klopt het nog steeds. Maar als je een derde volgt, begrijp je het niet meer.”
Waar het vermeende weten omslaat in het niet weten – dat is het punt waar de poëzie en de betekenis van zijn werk hun eigen verbindingen aangaan.

Lex ter Braak
directeur de Vleeshal