In 1994 toonde de Deense kunstenaar Jens Haaning twee Duitse herdershonden
aan lange kettingen in de galerie van Nicolaas Werner in Kopenhagen. De bezoekers die binnen kwamen, bepaalden in hoge mate de reactie van de honden. Waren zij onbevangen dan kwamen ze vriendelijk op hen af, maar toonden de bezoekers sporen van vrees dan begonnen de honden vervaarlijk te blaffen. Voor die bezoekers restte er nog maar een mogelijkheid: de galerie (zo snel mogelijk) te verlaten.
In dit werk was er een directe, confronterende wisselwerking tussen het getoonde en de bezoeker. Het werk niet als een afwachtend muurbloempje maar als een levende entiteit die net zozeer de bezoeker onderzoekt en op de proef stelt als de bezoeker gewoon is met het werk te doen. Waarbij het werk, ook in fysieke zin, sterker en alerter kon zijn.
Dit op scherp zetten van de houding van de tentoonstellingsbezoeker is een terugkerend aspect in het werk van Jens Haaning. Voor Germination 8 (een internationale tentoonstelling van jonge kunstenaars, ditmaal in Breda) sloot een automatische deur achter de bezoeker van zijn ruimte. Voor de tijdsduur van 45 seconden zat hij opgesloten met zichzelf. Verder was er niets, of dubbelzinniger gezegd: was dat dus alles. Als de verbeelding van Schopenhauers Die Welt ist meine Vorstellung.
Maar ook op een andere manier wordt het kunstpubliek op de proef gesteld. Vooral in zijn moeizame relatie tot de maatschappelijke verhoudingen. Het liefst immers ziet het kunst die niet direct reageert op de buitenwereld maar ruim esthetische distantie betracht. Maar daartegenover is er tegelijk een algemeen verzet tegen kunst die zich aan tijd en omstandigheden onttrokken heeft en die als geslachtloos in zichzelf besloten leeft. De voortdurende bewegingen in de kunst om de grenzen tussen kunst en leven wederzijds te overschrijden worden door het kunstpubliek dan ook welwillend gevolgd zolang ze zich maar niet door politieke of sociale domeinen bewegen. Als dat wel het geval is dan maakt de artistieke of esthetische beschouwing bijna onmiddellijk plaats voor een ideologische benadering. En zijn het andere motieven die tot kwalificatie of diskwalificatie leiden.
Jens Haaning stelt maatschappelijke verhoudingen aan de orde zonder de beschouwer naar een eenduidige uitspraak te voeren. Waardoor de verwarring alleen maar groter wordt. Op zijn posterwerk “Arabian Jokes” (posters geplakt in de rose buurt van Kopenhagen ) kijkt een Deense pinup de toeschouwer uitdagend aan; naast haar staan teksten in het Arabisch afgedrukt. Als westerse lezer weet je niet wat die teksten behelzen: waarschuwingen tegen de verleidingen van het westerse leven, adressen van begerenswaardige vrouwen, politieke leuzen enz.? Het is eveneens onduidelijk of de poster als onderdeel van een anti-racistische campagne opgevat moet worden of dat die de westerse kijker juist op de proef stelt: blonde pinups overgeleverd aan wat het liefst ter zijde geschoven wordt. Dat er uiteindelijk geen enkele relatie tussen tekst en afbeelding is en dat de tekst Arabische moppen vertelt, maakt het alleen maar gecompliceerder. Ook hier geldt, als in het werk met de Duitse herdershonden en de afgesloten ruimte, dat de kijker terug verwezen wordt naar zichzelf en zijn eigen (maar sociaal bepaalde) kijk- en denkmechanismen.
Jens Haanings werk voor de Vleeshal is niet alleen een voortzetting van deze werken maar ook van zijn zgn. “produktielijnen”: werken waarin een aantal mensen een serie-produktie onderneemt. In de tentoonstellingsruimte Portalen Hundige (Kopenhagen 1995) vervaardigde een aantal werkers straatwapentuig zoals katapults, buizenbommen en daaraan verwante artikelen. Dat wat verborgen vervaardigd wordt, werd opeens openbaar en zocht in een andere context naar zijn betekenis. In Bordeaux (voor de tentoonstelling Traffic, CAPC 1996) werden vlaggen van een niet bestaand land genaaid – maar voor velen was het een verwijzing naar minderheids- en afscheidingsbewegingen.
Op uitnodiging van Jens Haaning heeft het Turkse naai- en confectieatelier Maras (Vlissingen) zijn spullen en goederen naar de Vleeshal in Middelburg verplaatst om daar zijn produktie voort te zetten. De werkers van het naaiatelier zijn afkomstig uit verschillende landen binnen en buiten Europa (Iran, Turkije, Bosniƫ) en verrichten hun werkzaamheden gewoonlijk in het verborgenen. Zij vertegenwoordigen een realiteit die wij liever over het hoofd zien. Zeker als wij met vakantie zijn en van het mooie weer willen genieten in volledige vrijheid en leegheid.
Door de werkers van Maras te vragen hun werk te doen en te tonen in het hart van de stad, in een hedendaagse expositieruimte die bovendien een onderdeel van het stadhuis is, worden zij een onvermijdelijk deel van ons bewustzijn. Dat zij daarbij zijn opgenomen in de kadrering van het kunstinstituut maakt hun aanwezigheid des te onontkoombaarder. Zoals Millet (en de vele andere kunstenaars uit het Realisme van de vorige eeuw) de werkende klasse definitief haar plaats in het bewustzijn van de bourgeoisie gaf.
Hoe de bezoeker die plaats in zijn eigen bewustzijn creƫert, hangt af van de vragen die hij zichzelf zal stellen en de antwoorden die hij zal toelaten.
Lex ter Braak
directeur de Vleeshal
Jens Haaning
Geboren in 1965 in Horsholm Denemarken
Leeft en werkt in Kopenhagen
